Onlangs werden we opgeschrikt door een bericht van het OLB: voer de lora’s niet bij, omdat dat niet natuurlijk zou zijn en uiteindelijk slecht voor de vogels.
Dat roept een interessante vraag op.
Op een eiland waar koralen worden gekweekt op stellages, omhoog en omlaag worden verplaatst om bleaching tegen te gaan, waar schildpadnesten worden verplaatst naar veiligere locaties, lionfish actief worden bestreden, op Klein Bonaire een herbebossingsproject met irrigatiesysteem is aangelegd, mangrovebossen worden hersteld, jaarlijks honderden flamingo’s worden opgevangen, een verdwaalde krokodil wordt gevangen en zelfs juridische procedures worden gevoerd om meer klimaatmaatregelen af te dwingen, lijkt het begrip natuurlijk opmerkelijk selectief te worden toegepast.
Menselijk ingrijpen om natuur te beschermen of te herstellen is immers overal om ons heen.
Wanneer tientallen lora’s verzwakt of zelfs stervend bij Bird Rehab worden binnengebracht, lijkt dat juist een aanwijzing dat de populatie in moeilijke tijden soms ondersteuning nodig heeft. Sinds de tijd van de fraters worden de lora’s op Bonaire al bijgevoerd. Sommigen stellen zelfs dat dit mede heeft bijgedragen aan het voortbestaan van de soort op het eiland.
En zelfs als de vogels daardoor iets minder schuw zouden worden, blijft een eenvoudige gedachte overeind: een levende papegaai kan zich nog voortplanten, een dode niet.
Juist daarom is de herkomst van deze oproep zo opvallend.
Het bericht werd breed verspreid via de media, maar kwam niet van STINAPA, niet van ECHO, de organisatie die zich specifiek met de lora bezighoudt, en ook niet van Bird Rehab. De oproep kwam vanuit het OLB.
Dat maakt nieuwsgierig.
Waarom juist nu? Op basis van welke afweging? En hoe verhoudt deze boodschap zich tot de vele andere vormen van natuurbeheer waarbij menselijk ingrijpen juist als noodzakelijk wordt gezien?
Die vragen reiken verder dan alleen het voeren van papegaaien.
Ze nodigen uit om opnieuw te kijken naar het natuur- en milieubeleid op Bonaire. Hoe geven we invulling aan onze ambitie om biba di naturalesa te zijn? Welke keuzes maken we, welke principes hanteren we, en zijn die overal consequent toegepast?
Zelfs een korte blik achter de schermen roept nieuwe vragen op.
Stof voor een volgend stuk.
Door gastschrijver: Sombra di Wayaka

Een paar dagen geleden schreef ik op deze pagina over de opmerkelijke oproep van het OLB om te stoppen met het bijvoeren van onze hongerige lora’s. Dat riep een bredere vraag op: hoe is ons natuur- en milieubeleid op Bonaire eigenlijk georganiseerd? Of misschien beter gezegd: hoe is die verantwoordelijkheid vandaag de dag verdeeld?
Het inmiddels vrij beroemde begin van Bonaire’s, ook commercieel zeer succesvolle, natuurbeleid begon met de inspanningen van Captain Don Stewart. Het verbod op speervissen aan het eind van de jaren zestig, bedoeld om roofvissen en het koraal te beschermen, was destijds zowel baanbrekend als controversieel. STINAPA werd opgericht, Tene Boneiru Limpi en Amigu di Tera werden actief en gedurende de daaropvolgende jaren kreeg het idee vorm om de wateren rondom Bonaire als onderwaterpark te beschermen.
Ook op het land werden belangrijke stappen gezet. De eigenaren van de plantages Washington en Slagbaai beloofden deze niet te ontwikkelen in ruil voor gegarandeerde graasrechten. Duikplaatsen werden gemarkeerd, boeien werden met hulp van de Nederlandse marine rondom Bonaire en Klein Bonaire geplaatst, een ankerverbod werd ingevoerd en beschermende gedragsregels werden ontwikkeld. Vanuit de zee groeide Bonaire uit tot een internationaal voorbeeld van natuurbeheer. Toeristische organisaties, BONHATA en CURO speelden in die ontwikkeling eveneens een belangrijke rol.
Bonaire was trots op deze ontwikkelingen. Verschillende initiatieven waren wereldwijd vernieuwend en werden later ook elders toegepast. In 1991 volgde opnieuw een belangrijke stap: STINAPA kreeg via een beheersovereenkomst het mandaat om de natuurparken te beheren. Dankzij de invoering van de divetag beschikte de organisatie over een stabiele inkomstenbron, waardoor verdere professionalisering mogelijk werd.
In diezelfde periode kreeg ook het veelbesproken Plan Pourier aandacht, waarin economische ontwikkeling, natuur en milieu nadrukkelijk met elkaar in balans werden gebracht. Een laatste grote mijlpaal was de aankoop van Klein Bonaire op de laatste dag van het vorige millennium. Daarmee kreeg het Bonaire National Marine Park de bescherming van het grootste onontwikkelde koraaleiland in het Caribisch gebied.
Terugkijkend lijkt de hechte samenwerking tussen overheid, natuurorganisaties en de toeristische sector daarna geleidelijk te zijn veranderd. Doordat natuurbeheer een eigen financieringsbron kreeg, ontwikkelden de verschillende organisaties zich steeds zelfstandiger. Hierdoor ontstond ook onduidelijkheid over verantwoordelijkheden en toezicht. De overheid ging ervan uit dat natuurbeheer grotendeels bij STINAPA lag, terwijl STINAPA opereerde binnen de grenzen van haar beheersmandaat. Daarmee ontstond een bestuurlijke situatie waarin verantwoordelijkheden niet altijd helder waren afgebakend.
Ondertussen veranderde ook de wereld om ons heen. De Nederlandse Antillen werden opgeheven, nieuwe staatkundige verhoudingen ontstonden en Bonaire kreeg met nieuwe bestuurlijke structuren te maken. Tegelijkertijd groeiden de uitdagingen rond natuur, economie en ruimtelijke ontwikkeling. Nieuwe organisaties en uitvoeringsinstanties kwamen erbij, ieder met een eigen taak en verantwoordelijkheid. Zo raakten verantwoordelijkheden steeds verder versnipperd en kwamen verschillende belangen naast elkaar te staan, terwijl een gezamenlijke langetermijnvisie minder zichtbaar werd.
De gevolgen daarvan zijn vandaag op verschillende terreinen zichtbaar. De langdurige discussie rond de landfill, beperkte handhaving op natuur- en milieuregels, de sterke achteruitgang van de koraalbedekking en de voortdurende uitdagingen rond uitvoering en financiering laten zien hoe complex het vraagstuk inmiddels is geworden. En met de gevolgen van klimaatverandering zal die opgave de komende jaren alleen maar groter worden.
Dat roept een fundamentele vraag op. Is het huidige systeem nog voldoende ingericht om de natuur én de ontwikkeling van Bonaire in goede banen te leiden?
Volgens mij is het antwoord daarop nee.
Gelukkig zijn er wel degelijk mogelijkheden om die koers te verbeteren.
In het derde en laatste deel van dit drieluik doe ik een aantal voorstellen.
Door gastschrijver: Sombra di Wayaka

In deel 1 van dit drieluik leidde de verbazing over een mededeling van het OLB over onze lora’s tot vragen over ons natuur- en milieubeleid. Het bleek dat niet STINAPA, niet ECHO en zelfs niet Bird Rehab opriepen om te stoppen met het bijvoeren van onze hongerige lora’s.
In deel 2 stond de vraag centraal hoe ons natuur- en milieubeleid eigenlijk is georganiseerd. Daarbij werd duidelijk hoe verantwoordelijkheden in de loop der jaren steeds verder zijn versnipperd en hoe overheid en organisaties elkaar niet altijd versterken. Dat was ooit anders.
Ook buiten natuur en milieu lijkt de hechte samenwerking tussen verschillende partijen geleidelijk te zijn verdwenen. Informele afspraken maakten plaats voor een bestuurlijk landschap waarin vergunningaanvragen langs verschillende instanties moeten, vaak zonder heldere toetsingskaders of een gezamenlijk beleidskader. Dat vergroot de kans op vertraging, onduidelijkheid en juridische procedures. Uiteindelijk komt de rechter daardoor steeds vaker terecht in een rol die eigenlijk bij het bestuur hoort.
In het licht van klimaatverandering dreigen deze bestuurlijke uitdagingen alleen maar groter te worden. De klimaatzaken rond Urgenda en Bonaire zullen ongetwijfeld leiden tot nieuwe regelgeving, nieuwe verantwoordelijkheden en aanzienlijke financiële middelen. Tegelijkertijd lijkt er op Bonaire nog geen duidelijke coördinatie of centraal aanspreekpunt te bestaan voor de samenhang tussen klimaat, natuur, milieu en de afstemming met Den Haag. Terwijl de omvang van deze opgave mogelijk groter wordt dan alles waarmee Bonaire tot nu toe bestuurlijk ervaring heeft opgedaan.
Kortom, de organisatie van natuur- en milieubeleid oogt versnipperd. Dat raakt niet alleen natuur en milieu, maar ook de economie en de bestuurlijke slagkracht van het eiland. Juist daarom is dit het moment om na te denken over een andere manier van organiseren.
De Bonairiaanse overheid kan daarin een belangrijke rol spelen. De bevolking verdient een duidelijke vertegenwoordiging, ruimte voor eigen inbreng, inspraak en regie. Dat betekent niet dat beleid simpelweg uit Den Haag wordt overgenomen, maar dat Bonaire zelf sterker richting geeft aan de manier waarop natuur-, milieu- en klimaatbeleid lokaal wordt vormgegeven.
Misschien vraagt dat niet alleen om een zorgvuldige verdeling van portefeuilles binnen een nieuw bestuurscollege, maar ook om de oprichting van een directie of coördinatiepunt dat zich specifiek richt op natuur, milieu en klimaat.
Zo’n directie zou kunnen functioneren als verbindende schakel tussen het bestuurscollege, vergunningverlening, Toezicht & Handhaving, DRO, DEZA en de natuurorganisaties. Een organisatie die beleid ontwikkelt, samenwerking versterkt, efficiëntie vergroot en tegelijkertijd als vast Bonairiaans aanspreekpunt richting Den Haag kan optreden.
Dat is geen eenvoudige opdracht.
Maar als Bonaire ook in de toekomst natuur, economie en leefbaarheid met elkaar in balans wil houden, vraagt dat om bestuurlijke samenwerking en duidelijke regie.
Het kan.
De vraag is wie de handschoen oppakt.
Door gastschrijver: Sombra di Wayaka

Vanuit historisch oogpunt kan het bijna niet anders dan dat Sombra di Wayaka’s favoriete schrijver James Michener was. Michener (1907–1997) schreef enorm lange familiesaga’s langs een historisch uiterst accurate geschiedenis, die tot in de kleinste details minutieus was onderzocht.
Voor elk van zijn boeken zocht hij een gebied uit waar zijn magistrale verhalen zich afspeelden en woonde er soms jaren om zich volledig onder te dompelen in de specifieke sfeer en context. Zijn boeken kregen vaak een geografische naam. Het gebied waar zijn verhalen zich afspeelden, werd vaak zelf een personage.
Zijn eerste boek won meteen de Pulitzer Prize. Sterker nog, om die prijs mogelijk te maken werden de Pulitzer-regels aangepast. Uiteindelijk verschenen meer dan veertig boeken van zijn hand, waarvan vele zijn verfilmd.
Mijn favoriete titels waren Alaska, Hawaii en uiteraard Caribbean. Van het geologische ontstaan van het gebied, de eerste bewoners en de roerige geschiedenis, tot het persoonlijke wel en wee van een fictieve familie door eeuwen van gebeurtenissen heen, kon Michener als geen ander avontuur, geluk, spirituele beleving, maar ook pijn en ontzetting beschrijven.
Steevast draaiden zijn boeken om wreedheid of juist mededogen, de strijd of juist de harmonie tussen de groepen mensen die het gebied bewoonden, aandeden, veroverden of juist bevrijdden. Hij volgde de migrantenmix tot aan de uiteindelijke samenleving van vandaag.
Zijn schitterende boeken besloten altijd met een hoopvolle conclusie, waarbij de personages zichzelf regelmatig verbaasden door het bestuderen van hun stamboom. Een Haole (makamba/blanke in het Hawaiiaans) bleek eigenlijk geen Haole, maar een mix van alle volken die goedschiks of kwaadschiks het boek vulden. Ze waren niet het één of het ander, niet de afstammeling van één migrant van weleer, maar de som van allemaal. Michener noemde hen ‘de gouden man’.
Ook op Bonaire vond en vindt dit plaats. Alleen al de achternamen van grote families wijzen op een som van allemaal. Laten we ons verbazen over onszelf, dat we gewone mensen zijn, onderdeel van één en dezelfde gemeenschap.
De Bonairiaanse gouden man, zich koesterend in de sombra di wayaka…

Beneath the wayaka tree, the ‘golden man’ symbolizes a community shaped by shared history.